Er zijn een aantal verschillende benaderingen die door professionele hulpverleners gebruikt worden. De drie belangrijkste benaderingen zijn misschien psychodynamisch, humanistisch en gedragsgericht. Elk van deze benaderingen heeft een andere theorie en ideeën die eraan ten grondslag liggen, en de therapeuten en begeleiders die ze gebruiken zullen problemen en kwesties op verschillende manieren benaderen.

Deze drie hoofdbenaderingen ondersteunen elk een aantal afzonderlijke therapieën. Sommige therapieën kunnen ook ideeën uit meer dan één benadering gebruiken. Sommige professionele begeleiders gebruiken maar één benadering, maar anderen zijn flexibeler en kunnen technieken uit meer dan één methode gebruiken.

Psychodynamische benadering van counseling

Psychodynamische counseling ontwikkelde zich uit het werk van Sigmund Freud (1856-1939). Tijdens zijn loopbaan als arts kwam Freud veel patiënten tegen die leden aan medische aandoeningen die geen ‘lichamelijke oorzaak’ leken te hebben.

Dit bracht hem tot de overtuiging dat de oorsprong van zulke ziekten in de onbewuste geest van de patiënt lag.

Freud begon daarom de onbewuste geest te onderzoeken, zodat hij zijn patiënten kon begrijpen en hen kon helpen herstellen. In de loop van de tijd zijn veel van Freud’s oorspronkelijke ideeën aangepast, verder ontwikkeld, genegeerd of zelfs in diskrediet gebracht. Ze zijn dan ook gebruikt in een aantal verschillende denk- en praktijkscholen. Psychodynamische counseling is gebaseerd op Freud’s idee dat ware kennis van mensen en hun problemen mogelijk is door inzicht in drie bijzondere gebieden van de menselijke geest.

Deze gebieden zijn:

  • Het Bewuste – dingen waarvan we ons bewust zijn, waaronder gevoelens of emoties, zoals boosheid, verdriet, verrukking, verrassing en geluk.
  • Het Onbewuste – dit zijn dingen die zich onder ons bewuste bewustzijn bevinden, maar vrij gemakkelijk toegankelijk zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld gebeurtenissen omvatten die we vergeten zijn, maar ons gemakkelijk zullen herinneren als ons een passende vraag gesteld wordt.
  • Het Onbewuste – dit is het gebied van de geest waar herinneringen onderdrukt zijn en dat meestal heel moeilijk toegankelijk is. Zulke herinneringen kunnen uiterst traumatische gebeurtenissen omvatten die geblokkeerd zijn en een zeer bekwame beoefenaar nodig hebben om ze te helpen herstellen.

Freud’s voornaamste belangstelling en doel was om dingen uit het onbewuste in het bewuste te brengen. Deze vorm staat bekend als psychoanalyse. Psychoanalyse wordt gebruikt om de cliënt aan te moedigen jeugdtrauma’s of vroege geheugentrauma’s te onderzoeken om een dieper begrip van de gebeurtenissen te krijgen. Dit kan op zijn beurt de cliënt helpen negativiteiten die met deze vroegere gebeurtenissen samenhangen los te laten. Psychoanalyse is gebaseerd op de veronderstelling dat we psychologisch alleen vooruitgang kunnen boeken door ons bewust te worden van vroegere dilemma’s die door pijnlijke associaties in ons onbewuste verdrongen zijn.

Freud beweerde dat de persoonlijkheid uit drie verwante elementen bestaat:

  • Het Id is het deel van onze persoonlijkheid dat zich bezighoudt met het bevredigen van instinctieve basisbehoeften aan voedsel, troost en plezier. Het is dus aanwezig vanaf (of mogelijk vóór) de geboorte.
  • Het Ego wordt gedefinieerd als “het realistische besef van het zelf”. Het is de logische en gezond verstand kant van onze persoonlijkheid. Freud geloofde dat het Ego zich ontwikkelt als de zuigeling zich ervan bewust wordt dat hij een apart wezen is van zijn ouders.
  • Het Superego ontwikkelt zich later in het leven van een kind, vanaf ongeveer de leeftijd van drie jaar. Het Superego beteugelt en controleert de basisinstincten van het Id, die sociaal onaanvaardbaar kunnen zijn. Het fungeert daardoor als ons geweten.

Freud geloofde dat iedereen spanning en conflict ervaart tussen de drie elementen van zijn persoonlijkheid. Zo wordt verlangen naar genot (uit het Id) beteugeld door het morele besef van goed en kwaad (uit het Superego). Het Ego brengt de spanning in evenwicht tussen het Id dat bevredigd wil worden en het Superego dat te streng is.

Het belangrijkste doel van psychodynamische begeleiding is dan ook mensen te helpen de drie elementen van hun persoonlijkheid in evenwicht te brengen, zodat noch het Id, noch het Superego overheerst.

Het is geworteld in het onderzoeken en begrijpen van vroegere ervaringen om verdrongen kwesties op te sporen die het huidige gedrag beïnvloeden. Psychodynamische counseling is daarom een langdurig en doorgaand proces, en wordt vooral gebruikt als mensen ernstige problemen ervaren die met andere methoden niet opgelost worden.

Humanistische benadering van counseling

Humanistische counseling erkent de uniciteit van elk individu. Het gaat ervan uit dat iedereen een aangeboren vermogen heeft om emotioneel en psychologisch te groeien naar de doelen van zelfverwerkelijking en persoonlijke vervulling.

Humanistische begeleiders werken vanuit de overtuiging dat problemen niet veroorzaakt worden door levensgebeurtenissen zelf, maar door hoe we ze ervaren. Onze ervaring zal op haar beurt invloed hebben op en beïnvloed worden door hoe we over onszelf denken, wat invloed heeft op eigenwaarde en zelfvertrouwen. De humanistische benadering van counseling moedigt de cliënt daarom aan te leren begrijpen hoe negatieve reacties op levensgebeurtenissen tot psychisch ongemak kunnen leiden. De benadering streeft naar zelfaanvaarding van zowel negatieve als positieve aspecten van onze karakters en persoonlijkheden.

Humanistische counsellors streven er dus naar cliënten te helpen hun eigen gedachten en gevoelens te onderzoeken en hun eigen oplossingen voor hun problemen uit te werken.

Dit lijkt erg op de aanpak die bij coaching gebruikt wordt, behalve dat coaches meer gericht zijn op het heden, en minder op het verleden. In essentie wil coaching de kwestie van het ‘hoe’ aanpakken, en counseling kijkt naar het ‘waarom’.

Voor meer over de verschillen tussen coaching en counseling, zie Wat is coaching?
De Amerikaanse psycholoog, Carl Rogers (1902-1987) ontwikkelde een van de meest gebruikte humanistische therapieën, cliëntgerichte counseling. Deze moedigt de cliënt aan zich te concentreren op hoe hij zich op het huidige moment voelt, dit is ook de essentie van mindfulness.

Cliëntgerichte Counselling

Het centrale thema van cliëntgerichte therapie is de overtuiging dat we allemaal inherente hulpbronnen hebben die ons in staat stellen om te gaan met wat het leven ons ook brengt.

Bij cliëntgerichte therapie staat de overtuiging centraal dat de cliënt – en niet de hulpverlener – de expert is op het gebied van zijn eigen gedachten, gevoelens, ervaringen en problemen. De cliënt is daarom de persoon die het best in staat is om passende oplossingen te vinden. De begeleider stelt geen gedragslijn voor, doet geen aanbevelingen, stelt geen indringende vragen en probeert niet alles wat de cliënt zegt te interpreteren. De verantwoordelijkheid voor het uitwerken van problemen ligt geheel bij de cliënt. Als de begeleider wel reageert, is zijn doel te reflecteren en te verduidelijken wat de cliënt gezegd heeft.

Een getrainde cliëntgerichte hulpverlener streeft ernaar empathie, warmte en echtheid te tonen, waardoor volgens hem de cliënt in staat wordt gesteld zichzelf te begrijpen en psychologisch te groeien.

  • Empathie houdt in dat je in staat bent de problemen van de cliënt vanuit zijn eigen referentiekader te begrijpen. De hulpverlener moet in staat zijn dit begrip nauwkeurig aan de cliënt terug te koppelen.
  • Warmte is de cliënt laten zien dat hij gewaardeerd wordt, ongeacht alles wat er tijdens de counseling sessie gebeurt. De hulpverlener moet niet-oordelend zijn, aanvaarden wat de cliënt ook zegt of doet, zonder evaluaties op te leggen.
  • Echtheid verwijst naar het vermogen van de counsellor om open en eerlijk te zijn en niet op een superieure manier te handelen of zich achter een ‘professionele’ façade te verschuilen.

Gedragsmatige benadering van counseling

De gedragsmatige benadering van begeleiding concentreert zich op de veronderstelling dat de omgeving het gedrag van een individu bepaalt.

Hoe een individu op een bepaalde situatie reageert is het resultaat van vroeger leren, en meestal van gedrag dat in het verleden versterkt werd. Stel bijvoorbeeld dat een kind een spin opraapt en ermee naar zijn moeder gaat. Als die bang was voor spinnen, zou ze kunnen gillen. Het kind zou dan leren dat spinnen beangstigend zijn. De volgende keer zal het kind, in plaats van de spin op te rapen, waarschijnlijk gillen en naar zijn moeder rennen, die kan zeggen ‘ooh, ik haat spinnen, ze zijn zo griezelig’, waardoor het gedrag van het kind versterkt wordt. Als gevolg daarvan kan het kind een angst voor spinnen ontwikkelen en gillend wegrennen (respons) bij de aanblik van een spin (stimulus).

Gedragstherapieën zijn voortgekomen uit psychologisch onderzoek en leertheorieën die zich bezighouden met waarneembaar gedrag, d.w.z. gedrag dat objectief bekeken en gemeten kan worden.

Gedragstherapeuten geloven dat gedrag ‘aangeleerd’ is en dus afgeleerd kan worden.

Gedragstherapie richt zich op individueel gedrag en heeft tot doel mensen te helpen ongewenst gedrag te veranderen. Ongewenst gedrag wordt gedefinieerd als een ongewenste reactie op iets of iemand in de omgeving. Bij deze benadering stelt een hulpverlener samen met een cliënt het ongewenste gedrag vast en samen werken ze eraan het gedrag te veranderen of aan te passen.

Problemen die goed op deze vorm van therapie reageren zijn o.a. fobieën, angstaanvallen en eetstoornissen.

Cliënten kunnen vaardigheden aangeleerd krijgen om hen te helpen hun leven effectiever te beheren. Zo kunnen ze bijvoorbeeld geleerd krijgen hoe ze zich kunnen ontspannen in situaties die een angstreactie oproepen. Een andere methode bestaat uit het aanleren van gewenst gedrag door naar anderen te kijken en ze te kopiëren. In het algemeen gaat het bij de gedragsmatige aanpak meer om het resultaat dan om het proces van verandering.

Verschillende benaderingen van counseling gebruiken

Deze drie brede benaderingen van counseling liggen elk ten grondslag aan een aantal afzonderlijke therapeutische benaderingen.

Tot de humanistische therapieën behoren bijvoorbeeld gestalttherapie, transactionele analyse en transpersoonlijke therapie, en ook cliëntgerichte therapie.

Sommige begeleiders en therapieën kunnen echter uit meer dan een van deze drie benaderingen putten. Zo is neuro-linguïstisch programmeren (NLP) een combinatie van cognitief gedragsdenken en humanistisch denken. Het combineert het idee dat je gedrag beïnvloed wordt door je vroegere ervaringen met de overtuiging dat je je gedrag kunt veranderen door je emotionele reactie op gebeurtenissen te veranderen, door het gebruik van de rede. Dit is duidelijk geworteld in het concept dat ieder van ons het vermogen heeft zijn eigen problemen op te lossen.

Therapieën als kunstzinnige therapie, gezinstherapie en creatieve therapie kunnen allemaal putten uit ideeën van een of meer van deze benaderingen, afhankelijk van de voorkeur van de hulpverlener en de cliënt.

Er is, met andere woorden, geen ‘one size fits all’ als het om counseling gaat.